Artikel verschenen in "Museumpeil" nr 24 najaar 2005.

Gelijke kansen voor elke museumbezoeker.
De benadering van Westkans.
door Bart Vermandere (toegankelijkheidsadviseur, Westkans vzw)
Is er wel iets als "de bezoeker"? Komt iedereen om de zelfde reden
naar een museum? Is de differentiatie naar specifieke doelgroepen en hun verschillende
benaderingen niet juist een uitdaging om het museum zo universeel mogelijk
in te richten? Allemaal vragen die aan de basis liggen om universele toegankelijkheid
toe te lichten. Als we personen met een mobiliteitsprobleem of een communicatieve
beperking als norm gaan nemen, kunnen we een heel breed spectrum aan mogelijke
bezoekers voor ogen krijgen en elk van hen op een waardige manier ontvangen.
Een museum is een gebouw, een plaats die bezocht wordt.
Zeker in de publiekswerking van een museum staat de bezoeker, in al zijn facetten,
centraal. Hoe je de mensen kunt informeren en hoe zij het museum kunnen bereiken,
zijn alvast belangrijke vragen. Juist dit laatste en niet louter de persoonlijke
interesse voor het museum is voor mensen met een handicap onontbeerlijk om
een bezoek te plannen.
Alles begint natuurlijk bij het gebouw waar het museum onder gebracht is.
Het zijn meestal oude historische gebouwen of moderne nieuwbouw, die in veel
gevallen al een bezienswaardigheid op zich zijn. Het gaat van gebouwen met
een verleden zonder rolstoelen in het straatbeeld tot zeer functionele architectuur:
open en neutraal, volledig ten dienste van de tentoongestelde zaken.
Aandacht voor personen met een handicap, hun integratie in de maatschappij
en zeker het op eigen houtje kunnen deelnemen aan sociale en culturele activiteiten
is pas de laatste jaren onder de aandacht gekomen. Een museum bouw je niet
elk jaar. Het duurt dus wel even voor alle gebouwen, of het nu musea zijn
of niet, aan de eisen van de toegankelijkheid zullen voldoen. Bij een nieuwbouw
kan je al gauw met een aantal richtlijnen rekening houden zodat er zich weinig
drempels gaan opwerpen bij een toekomstig bezoek. Deze technische advisering
is niet altijd even makkelijk te realiseren bij het herinrichten van een bestaand
gebouw. Hier wordt meestal bekeken hoe het gebouw zo toegankelijk mogelijk
kan gemaakt worden eventueel via alternatieven: 2de toegang die vlot en drempelloos
bereikbaar is of een videosimulatie van tentoongestelde werken op een verdiep
dat enkel via een trap te betreden is.
Informeren via verschillende dragers en inrichten voor iedereen.
Een museumbezoek is tegenwoordig een totaalbelevenis. Personen met een handicap
ervaren in veel gevallen de realiteit via een andere, soms een minder voor
de hand liggende, invalshoek. Dit soms vanuit een iets lager perspectief of
met een zintuig minder maar wel steeds de realiteit van die welbepaalde persoon.
Als een multimediaproject een verhaal brengt dat voortdurend van auditieve
naar visuele informatie overspringt, die louter elkaar aanvullen: dan missen
zowel mensen met een auditieve als die met een visuele handicap beiden de
helft van het verhaal.
De oplossing lijkt nochtans eenvoudig: bied zoveel mogelijk informatie aan
op zoveel mogelijk verschillende dragers zodat men kan kiezen welk zintuig
of welk parcours te nemen. Iemand een verhaallijn laten volgen is trouwens
perfect vergelijkbaar met iemand die een parcours fysiek moet afleggen. In
beide gevallen moet de ketting van toegankelijke delen een geheel vormen.
Een deel van het museum dat ontoegankelijk is door enkele treden is per definitie
afgescheiden van het toegankelijk deel. De ketting is zo sterk als zijn zwakste
schakel.
Met rolstoelgebruikers of personen met een auditieve of visuele beperking
op pad gaan door gebouwen is een zeer interessante ervaring, zeker om te zien
hoe zij deze omgeving ervaren. Zonder beperking door het leven gaan, bied
je heel wat mogelijkheden om de realiteit, het gebouw of de tentoonstelling
te ervaren. Dit is te lang als maatstaf genomen om de omgeving vorm te geven.
Wanneer er een of meer mogelijkheden ontbreken of je verplicht bent een vooropgesteld
parcours te volgen, kunnen er zich problemen voordoen. Wat is de waarde van
je vast parcours als je moet alternatieven gaan voorzien. Wat is aan de andere
kant niet vervelender dat de suppoosten voortdurende verdwaalde bezoekers
de weg moeten wijzen. Stuur je iedereen de trap op om ze achteraf met de lift
te laten terugkeren waardoor de rolstoelgebruiker de tentoonstelling in omgekeerde
richting moet afleggen. Of richt je een centrale circulatiekern in zodat iedereen
zowel de trap als de lift kan gebruiken?
Een blinde zal geen foto kunnen waarderen op zijn technische en esthetische
kwaliteiten omdat dit waarnemen niet (meer) tot zijn leefwereld behoort maar
een kind of iemand in een rolstoel zal een doorkijkmaquette op 160 cm hoogte,
zo ontworpen voor rechtstaande personen, niet kunnen bekijken. Zo merk je
dat de persoon meestal niet met zijn handicap op zich geconfronteerd wordt
maar de onaangepaste omgeving daarvoor zorgt. Hier komen we op een interessant
punt, nl. de theorie van het universeel ontwerpen. Dit kan eigenlijk perfect
toegepast worden op de museuminrichting. Een videoscherm, licht gekanteld
en laag op de grond, kan door iedereen bekeken worden: door iemand met een
kleiner gestalte, in een rolstoel, een ouderling op een stoel in de buurt
of als rechtstaande museumbezoeker. Met deze universele vorm van inrichten
aangevuld met een eenvoudig taalgebruik, ondertiteld en de tekst in braille
of grootletterschrift beschikbaar, bereik je meteen bijna iedereen in je museum.
Uiteindelijk bereik je zelfs meer dan de gekende doelgroepen: de eenvoudige
huisvrouw die net niet die hogere opleiding genoten heeft, opa die zijn leesbril
vergeten is, die kleine jongen die languit op de grond van de beelden geniet,
iedereen heeft wel iets wat op dat momenten een beperking kan zijn.
In een toegankelijk gebouw voel je je welkom.
De toegankelijkheid hangt tenslotte niet alleen af van het gebouw en zijn
inrichting maar ook van de gastvrijheid mede bepaald door het onthaal- en
zaalpersoneel. Een toegankelijk gebouw zal een bepaalde openheid in al zijn
facetten suggereren, de mensen die er werken moeten dit zelfde geruststellende
gevoel kunnen uitstralen naar bezoekers, al dan niet met specifieke noden.
Veelal zijn zij niet goed geïnformeerd om bepaalde vragen te beantwoorden.
Mag ik het beeld betasten? Misschien niet, maar misschien kan er een replica
gemaakt worden die wel door blinden kan betast worden. Het andere uiterste
om overal te willen helpen om rolstoelgebruikers toch over enkele treden of
een veel te steile helling te krijgen is evenmin een goede benadering.
De toegankelijke omgeving en hiervoor opgeleide museummedewerkers vullen elkaar
aan om iedereen, ongeacht zijn of haar beperking, het museum in zijn totaliteit
te kunnen laten beleven. De prijs aan de inkom, die je als bezoeker op het
schermpje van de kassa kan aflezen, is voor een dove een zeer eenvoudige aanduiding
waardoor zijn handicap niet gemanifesteerd wordt.
Juiste informatie over het heden en advies voor de toekomst.
Dat alle gebouwen in de toekomst perfect en integraal toegankelijk zullen
zijn, kan nog even duren. Daarom is de informatie over de mate van toegankelijkheid
van bestaande gebouwen zeer belangrijk. Nieuwere gebouwen zullen misschien
toegankelijker zijn dan oudere maar worden naar afwerking en specifieke inrichting
doorgaans door de gebruikers strenger beoordeeld. Toch is de waarde van de
informatie en om die op voorhand (voorbeeld: www.toegankelijkvlaanderen.be)
te kunnen raadplegen om zelf te kunnen inschatten of het gebouw voor mij met
mijn welbepaalde handicap toegankelijk is van onschatbare waarde. Niets is
zo vervelend als met de verkeerde informatie (over hoe toegankelijk een gebouw
wel is) te moeten ervaren dat dit uiteindelijk niet zo is. Iedereen heeft
er alle baat bij om juiste en vergelijkbare informatie over toegankelijkheid
te verspreiden en dit als maatstaf te nemen bij elke herinrichting of verbouwing
van de tentoonstellingen of het gebouw op zich.
Als adviseurs inzake toegankelijkheid bij het West-Vlaams Bureau voor Gelijke
Kansen en Toegankelijkheid (www.westkans.be) zijn wij dagdagelijks bezig om
zowel bij nieuwbouwprojecten voorafgaandelijk samen met de ontwerpers de adviezen
zo goed mogelijk in de projecten te implementeren als met het inwinnen van
informatie over bestaande gebouwen, haalbaarheidsstudies die zowel de eigenaar
als de bezoeker een beeld moeten geven van de huidige situatie en de mogelijkheden
om de toegankelijkheid te verhogen zowel in kleine eenvoudige als met grotere
structurele ingrepen. Niet alleen de aanpassing van een knelpunt komt aan
bod maar de totaliteit zowel naar handicaps als naar mogelijkheden van het
gebouw worden bekeken om zoveel mogelijk knelpunten te voorkomen. Onze collega's
zijn dan meer algemeen met "gelijke kansen" en discriminatie bezig
via een door de overheid erkend meldpunt of sensibilisatie en beleidsondersteunende
opdrachten. Advisering inzake "toegankelijkheid" als technisch onderdeel
daarvan, laat toe om de onaangepastheid te elimineren in de bebouwde omgeving
waarin de erkenning van verscheidenheid én tegelijkertijd de gelijkwaardigheid
van beleving centraal staan.
Toegankelijkheid is geen bekommernis op zich maar wordt best meegenomen als
een vast item in alle onderdelen van de museumwerking: het gebouw, de informatie
(folders en website), opmaak tentoonstellingen, personeel, ... Zo is de benadering
niet betuttelend of paniekerig maar meer het ontvangen van een op de eerste
plaats volwaardig bezoeker al dan niet met een beperking.
Het artikel verscheen in het nummer 24 (najaar 2005) van Museumpeil.