Op deze pagina vindt u de integrale tekst van deze nieuwe verordening (De verordening in PDF-formaat) zoals deze ook op de site van de provincie West-Vlaanderen terug te vinden is. Meer informatie over de wettekst zelf en de toepassing ervan bij:
1. Inleiding
Met deze provinciale stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid
wil de Provincie inspelen op een vraag naar duidelijkheid over voorschriften/normen
op vlak van toegankelijkheid. In Vlaanderen is er momenteel een federale wet
van kracht die reeds een opsomming geeft maar deze wet dateert van 1975. De
normen die erin worden aangereikt zijn verouderd, onvolledig en voldoen niet
aan de eisen van integrale toegankelijkheid. Deze provinciale stedenbouwkundige
verordening toegankelijkheid bevat de voorschriften die vandaag gehanteerd
worden door adviesbureaus toegankelijkheid, Vlaams Steunpunt Toegankelijkheid
…
Bedoeling is om voortaan integraal toegankelijke gebouwen te bouwen in West-Vlaanderen.
Integraal toegankelijk is het effectief bereikbaar, betreedbaar en bruikbaar
zijn van ruimten en voorzieningen voor iedereen. Dit wil zeggen dat iedereen
onafhankelijk en op gelijkwaardige wijze gebruik kan maken van alle voorzieningen.
Een woordje uitleg bij enkele begrippen van deze definitie:
Bereikbaar: het kunnen geraken aan een gebouw of een plaats
(bv. verlaagde stoepranden, voldoende voorbehouden parkeerplaatsen …)
Betreedbaar: het gebouw kunnen betreden (bv. is er naast
de trappen ook een helling om de inkomdeur te bereiken?)
Bruikbaar: de mate waarin iedereen een gebouw kan gebruiken
voor de functie waartoe het bestemd is (bv. is het toilet aangepast?)
Deze drie begrippen (de drie B’s) vormen samen de ketting van toegankelijkheid.
Om te kunnen spreken over een toegankelijk gebouw moeten de drie B’s
vervuld zijn. Toegankelijkheid omvat immers een geheel van aandachtspunten.
Enkel een helling voorzien aan de inkomdeur volstaat niet om te kunnen spreken
van een toegankelijk gebouw.
Iedereen: personen met een handicap, ouderen, grote en kleine
mensen, moeder en vaders met kinderwagens, mensen met boodschappen of bagage,
leveranciers, personen met een tijdelijke beperking … Iedereen heeft
baat bij een toegankelijke omgeving.
Onafhankelijk: zonder aangewezen te zijn op hulp van anderen
(bv. geen beroep doen op het onthaalpersoneel om de deur te openen)
Gelijkwaardig: iedereen kan op dezelfde wijze het gebouw
betreden en gebruiken (bv. vermijden van een speciale ingang voor rolstoelgebruikers)
De provinciale verordening is opgesteld vanuit de mogelijkheid die ingeschreven
staat in het decreet ruimtelijke ordening. Bij aanvraag van een stedenbouwkundige
vergunning zal de aanvragen op plan als in de voorziene nota van de architect
moeten aangeven dat deze verordening gevolgd is. Deze verordening is gepubliceerd
in het Staatsblad op vrijdag 19 januari 2007 en gaat bijgevolg van kracht
1 april 2007.
In een eerste hoofdstuk van de verordening worden een aantal definities gegeven
en het toepassingsgebied beschreven. De verordening maakt een opsplitsing
in twee groepen gebouwen:
- gebouwen die toebehoren aan publiekrechtelijke rechtspersonen (bv. een gemeentebestuur)
: de voorschriften moeten toegepast worden op alle ruimten (behalve technische
ruimten) ongeacht of zij voor het publiek toegankelijk zijn
- de overige voor het publiek toegankelijke gebouwen (bv. een horecazaak)
: de voorschriften moeten enkel toegepast worden binnen de toegankelijkheidssector.
Een tweede hoofdstuk beschrijft de algemene voorschriften. In een derde hoofdstuk
worden bijkomende voorschriften voor specifieke gebouwen zoals zwembaden,
hotels … opgesomd.
Een laatste hoofdstuk bevat de slotbepalingen.
De volledige tekst van de provinciale stedenbouwkundige verordening is hieronder
opgenomen. Deze folder sluit af met enkele contactgegevens indien u bijkomende
informatie wenst.
2. De provinciaal stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid
De Provincieraad van West-Vlaanderen;
Gelet op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke
ordening, zoals meermaals gewijzigd en in het bijzonder artikel 54 tot en
met artikel 56;
Gelet op de principiële beslissing van de Bestendige Deputatie van 30
juni 2005 tot opmaak van een provinciale stedenbouwkundige verordening inzake
toegankelijkheid van publieke ruimten;
Gelet op het advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening;
Gelet op het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar;
Overwegende dat er nood bestaat aan algemene stedenbouwkundige voorschriften
die toelaten de integrale toegankelijkheid te verwezenlijken van voor publiek
toegankelijke ruimten;
Hoofdstuk 1 : Definities en toepassingsgebied.
Artikel 1 : Definities.
- Integrale toegankelijkheid : het effectief bereikbaar, betreedbaar en bruikbaar
zijn van ruimten en voorzieningen voor iedereen. Dit wil zeggen dat iedereen
onafhankelijk en op gelijkwaardige wijze gebruik kan maken van alle voorzieningen.
- Publiek toegankelijke gebouwen : gebouwen of open ruimten met een openbaar
karakter toegankelijk voor iedereen, hetzij gratis, hetzij tegen aankoop van
een toegangsticket, hetzij op vertoon van een uitnodiging wanneer zij niet
stoelt op de persoonlijke of professionele band tussen de genodigde en degene
die uitnodigt en wanneer iedereen op aanvraag een uitnodiging verkrijgt. Bvb
cafés, dancings, zwembaden, postkantoren, stations, gemeenschappelijke
delen van meergezinswoningen, kantoren van vrije beroepen, … Publiek
toegankelijke gebouwen onderscheiden zich van gebouwen met een louter privaat
karakter. De toegang is niet vrij, maar wordt afhankelijk gesteld van een
individuele en persoonlijke invitatie. Bvb private club.
- Toegankelijkheidssector : een sector aangeduid op het bouwplan die start
vanaf de rooilijn, en die alle ruimten zowel binnen als buiten het gebouw
bevat die toegankelijk zijn voor het publiek. De louter private ruimten, waaronder
de personeelsruimten, behoren niet tot de toegankelijkheidssector. In deze
toegankelijkheidssector wordt de integrale toegankelijkheid gegarandeerd.
- Gidslijnen en geleidelijnen: een natuurlijke gidslijn is een aaneensluiting
van elementen in de toegankelijkheidssector die reeds aanwezig zijn in de
omgeving of in de aanleg en die door voelbare en zichtbare contrasten de looprichting
aangeven (bvb gevellijn, structuurcontrast van het bestratingmateriaal, opstaande
randen, reling, graskanten, …). Een natuurlijke gidslijn wordt obstakelvrij
gehouden. Een kunstmatige geleidelijn is een aanvullende voorziening op de
natuurlijke gidslijn. Deze geleidelijn is 0,60 m breed en heeft een duidelijk
voelbare textuur die verschilt van de omringende bevloering.
- Decreet : Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke
ordening;
- Verbouwen : het uitvoeren van vergunningsplichtige werken die de inrichting,
de toegang en/of functie van het gebouw en de bijbehorende ruimten veranderen.
Artikel 2 : Toepassingsgebied.
§1 Deze verordening is van toepassing op het bouwen, herbouwen en verbouwen
van gebouwen toebehorende aan publiekrechtelijke rechtspersonen zoals bedoeld
in artikel 127 van het decreet, ongeacht of zij voor het publiek toegankelijk
zijn. De technische ruimten moeten niet aan de voorschriften van de verordening
voldoen.
§2 De verordening is tevens van toepassing op het bouwen, herbouwen en
verbouwen van de overige voor het publiek toegankelijke gebouwen. Op het bouwplan
dient een toegankelijkheidssector te worden aangeduid. Binnen deze toegankelijkheidssector
moet aan de voorschriften van deze verordening worden voldaan.
Bij meergezinswoningen is de toegankelijkheidssector beperkt tot de gemeenschappelijke
delen van het gebouw, met uitsluiting van de technische ruimten.
Meergezinswoningen met minder dan vijf woongelegenheden, worden uit het toepassingsgebied
van de verordening gesloten.
Hoofdstuk 2 : Algemene voorschriften.
Artikel 3 : Algemeen.
- Bedieningselementen zoals een lichtschakelaar, de deurbel, paneel binnen
en buiten de lift, de douchebediening, de deurkruk en het brandalarm, dienen
te worden aangebracht in contrasterende kleuren en bevinden zich op een hoogte
tussen 90 cm en 120 cm.
- De wegbedekking buiten het gebouw evenals de vloer binnen het gebouw, is
vlak, stroef en gemakkelijk berijdbaar voor rolstoelgebruikers.
Artikel 4 : Parkeerplaatsen.
- Minstens 6% van het aantal beschikbare parkeerplaatsen, met een minimum
van 1, is integraal toegankelijk.
- Een parkeerplaats is integraal toegankelijk wanneer aan de volgende cumulatieve
voorwaarden is voldaan :
a) De parkeerplaats is minstens 3,5 m breed (2 m parkeerzone en 1,5 m uitstapruimte)
en is minstens 6 m lang.
b) De parkeerplaatsen bevinden zich het dichtst bij de toegankelijke voetgangersuitgang
van de parkeerruimte of de toegankelijke inkom van het gebouw.
Artikel 5 : Toegang tot het gebouw. (zone vanaf de rooilijn tot de
toegangsdeur van het gebouw)
- Het toegangspad is minimum 1,50 m breed. Ter hoogte van obstakels is er
een vrije breedte van 1,20 m.
- De vrije doorgangshoogte bedraagt 2,10 m.
- Niveauverschillen bedragen maximaal 2 cm, onverminderd hetgeen is bepaald
in artikel 8.
- Vanaf de rooilijn tot aan minstens één loket/balie/receptie
is er een gids- of geleidelijn.
Artikel 6 : Toegang binnen het gebouw (zone vanaf de toegangsdeur van
het gebouw)
- De toegang van elke deur is drempelvrij met een maximale niveauverschil
van 2 cm.
- De vrije doorgangsbreedte van elke deur bedraagt minstens 0,90 m. De doorgangsbreedte
is de werkelijke vrije ruimte tussen de deurstijl en de rand van het deurblad
bij maximale opening.
- Voor en achter elke deur is er een draaicirkel met een diameter van 1,50
m voorzien. Bij een manuele deur is er aan de zijde van de deurkruk een vrije
ruimte van minimum 50 cm.
- De deurkruk is van het hefboomtype.
- Glazen deuren hebben een contrastmarkering op ooghoogte.
Artikel 7 : Gangen, sassen, overlopen.
- Gangen, sassen en overlopen hebben een breedte van minimum 1,50 m. Indien
er geen deuren de gang indraaien, hebben de gangen, sassen en overlopen een
breedte van minimum 1,20 m op voorwaarde dat op het einde van de gang een
draaicirkel met een diameter van 1,50 m wordt voorzien.
- Ter hoogte van obstakels is de gang minimum 0,90 m breed.
- Gangen, sassen en overlopen hebben een maximaal niveauverschil van 2 cm,
onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 8.
Artikel 8 : Overbruggen van niveauverschillen.
- Niveauverschillen worden zoveel mogelijk vermeden. Niveauverschillen van
meer dan 2 cm worden overwonnen door een hellend vlak.
Niveauverschillen van meer dan 20 cm worden overwonnen door zowel een hellend
vlak als door een trap. Als beiden niet gerealiseerd kunnen worden, dan wordt
er tenminste een hellend vlak voorzien.
De niveaus die niet via hellende vlakken kunnen worden bereikt, zijn voorzien
van minstens één toegankelijk lift.
- Het hellend vlak :
a) De hellingsgraad dwars op de looprichting bedraagt maximaal 2%.
b) De hellingsgraad langs de looprichting bedraagt:
o voor een niveauverschil van 2 cm tot 10 cm: maximum 10%.
o voor een niveauverschil van 10 cm tot 25 cm: maximum 8,3%.
o voor een niveauverschil van 25 cm tot 50 cm: maximum 6.25%.
o voor een niveauverschil van meer dan 50 cm: maximum 5%.
c) De vrije breedte bedraagt minimum 1,20 m.
d) Bovenaan en onderaan elke helling moet er een horizontaal bordes (rustpunt)
aangelegd zijn van minimum 1,50 m lengte.
e) Per overbrugging van 50 cm niveauverschil of na een lengte van 10 m, wordt
een tussenbordes voorzien met een minimale lengte van 1,50 m.
- De trappen :
a) De trap heeft een minimum doorgangsbreedte van 1,20 m tussen de leuningen.
b) De trappen zijn van het gesloten type zonder overstekende neus.
c) Halverwege de trap tussen twee verdiepingen is er een tussenbordes voorzien
van minimaal 1,20 m x 1,20 m.
d) Aan beide zijden van de trap zijn stevige doorlopende leuningen aangebracht.
Deze leuning heeft een contrasterende kleur, biedt een hechte steun en heeft
een vorm die het erover glijden van de hand gemakkelijk mogelijk maakt. De
leuning loopt 0,40 m horizontaal door boven en onderaan de helling en volledig
ter hoogte van de tussenbordessen. Wanneer een leuning in het ijle stopt,
moet ze worden afgerond naar de grond.
e) Elke trapneus is voorzien van een voelbare en voldoende brede slipvrije
kleurcontrasterende strip.
f) Bovenaan en onderaan de trap worden waarschuwingstegels aangebracht.
- De liften :
a) Indien de toegankelijkheidssector zich niet uitsluitend op de gelijkvloerse
verdieping bevindt is minstens één toegankelijke lift vereist.
b) Bij gebouwen van publiekrechtelijke rechtspersonen met tenminste één
verdieping, is minstens één toegankelijke lift vereist. Technische
ruimten worden niet als verdieping aanzien.
c) Een toegankelijke lift voldoet minstens aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
· De vrije doorgangsbreedte is minimum 0,90 m. De doorgangsbreedte
is de werkelijke vrije ruimte tussen de deurstijl en de rand van het deurblad
bij maximale opening.
· Voor de liftdeur is er op elke verdieping een draaicirkel met een
diameter van 1,50 m.
· De afstand tussen de tegenoverstaande zijwanden naast de liftdeur
bedraagt minstens 1,10 m.
· De afstand van de binnenkant van de liftdeur tot de tegenoverliggende
liftdeur of liftwand bedraagt minstens 1,40 m.
· Het bedieningspaneel (binnen en buiten de lift) hangt op een hoogte
tussen 0,90 m en 1,20 m. De bedieningselementen zijn gegraveerd of uitstulpend
aangebracht, contrasteren tegenover de achtergrond en zijn voorzien van braille
of duidelijk voelbare aanduiding.
· Door een gesproken boodschap en lichtsignaal wordt aangegeven op
welke verdiepingen de lift stopt.
Artikel 9 : Sanitaire accommodaties.
- Rolstoeltoegankelijk toilet
a) Publiek toegankelijke toiletten bevatten minstens één (1)
rolstoeltoegankelijk toilet.
b) Er is sprake van een rolstoeltoegankelijk toilet wanneer aan volgende cumulatieve
voorwaarden is voldaan :
· De toiletdeur draait naar buiten open.
· Aan de binnenkant van de deur is op een hoogte van 0,90 m een horizontale
greep bevestigd over de volledige breedte van de deur. Dit is niet nodig bij
een schuifdeur.
· Binnen de toiletruimte is een draaicirkel met een diameter van 1,50
m voorzien
· Aan minstens 1 zijde van de toiletpot is een ruimte van minimum 90
cm voorzien.
· De ruimte voor de toiletpot bedraagt minimum 1,20 m.
· De hoogte van het zitvlak van de toiletpot, gemeten vanaf de vloer
tot en met de toiletbril, bedraagt 50 cm met een onder- en een bovenmarge
van 4 cm.
· De afstand van de voorste rand van de toiletpot tot de achterliggende
wand bedraagt 70 cm.
· Aan weerszijden van de toiletpot is een steunbeugel voorzien, ofwel
twee opklapbare, ofwel aan de open zijde een opklapbaar model en aan de muurzijde
een vaste wandbeugel. Deze staan op 65 cm symmetrisch van elkaar en symmetrisch
ten opzichte van de toiletpot. Zij staan in neergeklapte toestand op 25 cm
hoogte boven de toiletbril en steken minimum 15 cm voor de toiletpot uit.
· Er wordt in de toiletruimte een wastafel voorzien. De ruimte onder
de wastafel is vrij. De vrije hoogte onder de wastafel is minimum 70 cm en
de bovenrand komt op 80 cm.
- Doucheruimten
a) Publiek toegankelijke douches bevatten minstens 1 rolstoeltoegankelijke
doucheruimte.
b) Er is sprake van een rolstoeltoegankelijke douche wanneer aan de volgende
cumulatieve voorwaarden is voldaan :
- De doucheruimte is drempelloos.
- De draaicirkel met een diameter van 1,50 m is verzekerd.
- Er is een opklapbaar en slipvrij douchezitje op een hoogte tussen 46 tot
54 cm met links of rechts een vrije ruimte van 90 cm.
- Het zitoppervlak is minimum 45 cm diep en minimum 40 cm breed.
- Kleedruimten
a) Publiek toegankelijk kleedhokjes bevatten minstens 1 rolstoeltoegankelijk
kleedhokje.
b) Het kleedhokje is rolstoeltoegankelijk wanneer een vrije ruimte wordt voorzien
met een draaicirkel met een diameter van 1,50 m.
Artikel 10 : Loketten/balies/receptie.
- Voor minstens één loket/balie/receptie bevindt zich een draaicirkel
met een diameter van 1,50 m en is er een verlaagd gedeelte. Onder het verlaagd
gedeelte is er een vrije hoogte van 70 cm, een vrije diepte van 60 cm en een
breedte van 90 cm.
- Gebouwen van publiekrechtelijke rechtspersonen beschikken tevens over gehoorondersteunende
middelen voor slechthorenden. Zij worden met gangbare symbolen aangeduid.
Hoofdstuk 3 : Bijkomende voorschriften voor specifieke gebouwen.
Artikel 11 : Schouwspelzalen – auditoria – bioscopen.
- Waar het publiek over zitplaatsen beschikt, zijn in de eerste schijf van
50 plaatsen minimaal 2 vrije ruimten voorbehouden voor rolstoelgebruikers.
Voor iedere bijkomende schijf van 50 plaatsen wordt 1 extra vrije ruimte voorzien.
- De voorbehouden vrije ruimten bevinden zich op een horizontale vloer en
hebben een minimumafmeting van 1,40 m diep en 0,90 m breed. De plaatsen zijn
zo gekozen dat de zichtbaarheid voor de rolstoelgebruikers gegarandeerd is.
- Er worden gehoorondersteunende middelen voorzien voor slechthorenden. Zij
worden met gangbare symbolen aangeduid.
- Indien het podium voor het publiek toegankelijk is, moet het eveneens voor
rolstoelgebruikers toegankelijk zijn.
Artikel 12 : Zwembaden.
- Een doorwaadruimte die toegang biedt tot de zwemruimte is minimaal 90 cm
breed en is voorzien op het afspoelen en ontsmetten van de wielen van een
rolstoel.
- Zowel in de natte als in de droge zone wordt minstens één
rolstoeltoegankelijk toilet, zoals omschreven in artikel 9 van de verordening
voorzien.
- Indien de cabines genummerd zijn, moet dit ook in braillenummers voorzien
worden
- Een zwembadlift is ter beschikking.
Artikel 13 : Verblijfsaccommodaties (hotels, jeugdverblijven en
andere logiesverstrekkende bedrijven)
- Vanaf 10 kamers (en vervolgens per schijf van 10 kamers) moet minstens 1
rolstoeltoegankelijke slaapkamer in de toegankelijkheidssector worden opgenomen.
- Er is sprake van een rolstoeltoegankelijk slaapkamer wanneer cumulatief
aan de volgende voorwaarden is voldaan :
a) In de kamers moet een draaicirkel met een diameter van 1,50 m gemaakt kunnen
worden, minimaal aan 1 zijde van het bed en dit ter hoogte van de kleerkast.
b) rondom het bed is er een doorgangsbreedte van minstens 0,90 m.
c) het telefoontoestel en de lichtschakelaar van de algemene kamerverlichting
zijn vanuit het bed bedienbaar.
d) de badkamer wordt ingericht volgens de voorschriften van artikel 9 van
de verordening.
Hoofdstuk 4 : Slotbepalingen.
Artikel 14 :
De aanvrager duidt in de nota, gevoegd bij de aanvraag tot stedenbouwkundige
vergunning, duidelijk aan op welke wijze de voorschriften van de verordening
die niet op de bouwplannen waarneembaar zijn, worden nageleefd.
Artikel 15 :
Bij verbouwing kan de vergunningverlenende overheid, mits omstandige motivering,
afwijken van de voorschriften van de verordening.
Artikel 16 :
Overtredingen op deze verordening worden overeenkomstig artikel 146 en 147
van het decreet bestraft, onverminderd de toepassing van artikel 149 tot 150
van het decreet.
Artikel 17 :
Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen deze verordening aanvullen
en strengere normen opleggen.
De gemeenteraden brengen hun gemeentelijke stedenbouwkundige verordening binnen
een termijn van 6 maanden na de inwerkingtreding van de verordening in overeenstemming
met de voorschriften van deze verordening.
Artikel 18 :
Deze verordening treedt in werking op de 1ste dag van de derde maand na bekendmaking
van de goedkeuringsbeslissing van de Vlaamse regering in het Belgisch Staatsblad.
Aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning waarvan het ontvangstbewijs is
afgeleverd vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening,
zijn vrijgesteld van de toepassing van de verordening.
beslissing deputatie 15/03/2007
1. Technische ruimten
Onder technische ruimten moet worden verstaan : de ruimten
die toegang bieden tot de
private kelders en/of garages, tellerlokalen, liftkamers, vuilnislokalen,
fietsenstallingen, etc...
2. Meergezinswoningen
De toegankelijkheidssector
De verordening stelt dat de toegankelijkheidssector beperkt is tot de gemeenschappelijke
delen van het gebouw, met uitsluiting van technische ruimten. De
toegankelijkheidssector reikt vanaf de rooilijn tot aan de louter private
ruimten (zoals de
woongelegenheid zelf).
Liften – trappen
Indien er een toegankelijke lift aanwezig is, dan worden de trappenzalen in
meergezinswoningen niet opgenomen in de toegankelijkheidssector.
De deputatie heeft in haar zitting van 15/03/2007 principiële goedkeuring
verleend om
de provinciale stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid in deze zin
aan te
passen. De deputatie adviseert de stedenbouwkundige ambtenaren om de verordening
nu reeds op deze wijze toe te passen.
Appartementsdeuren
De appartementsdeuren zijn geen gemeenschappelijke delen van een meergezinswoning
en vormen dus geen onderdeel van de toegankelijkheidssector.
Woongelegenheden
Het aantal woongelegenheden wordt bepaald voor het hele gebouw, en dit ongeacht
er
meerdere aparte toegangen worden voorzien.
3. Sociale woningen
Enkel aanvragen stedenbouwkundige vergunningen voor sociale woningen in
meergezinswoningen van vijf of meer woongelegenheden vallen onder het
toepassingsgebied van deze verordening (art. 2 §2).
4. Deuren
Doorgangsbreedte & vrije ruimte
De vrije doorgangsbreedte van de deur bedraagt minstens 90 cm. De doorgangsbreedte
is de werkelijke vrije ruimte tussen de deurstijl en de rand van het deurblad
bij maximale
opening. Bij een manuele deur is er aan de zijde van de deurkruk een vrije
ruimte van minimum 50 cm.
Een voorbeeld:
Een deur met een min. dagmaat van 105 cm verzekert een vrije doorgangsbreedte
van
min. 90 cm. De afmeting van de dagmaat moet immers nog verminderd worden met
een
aanslag aan elke zijde van de deur. Deze aanslag mag meegerekend worden bij
de vrije
ruimte van min. 50 cm aan de zijde van de deurkruk bij een manuele deur.
5. Wegbedekking
De wegbedekking buiten het gebouw evenals binnen het gebouw, is vlak, stroef
en
gemakkelijk berijdbaar voor rolstoelgebruikers. Kiezelstenen en andere materialen
die
het zelfstandig overrijden van een rolstoel bemoeilijkt of onmogelijk maakt
komen niet in
aanmerking.
6. Trappen
Noodtrappen
Noodtrappen e.d.m. (zie hierboven ‘toegankelijkheidssector’) behoren
niet tot de
toegankelijkheidssector.
Soort trappen
De trappen zijn van het gesloten type zonder overstekende neus. Afgeschuinde
tegentrede is een perfect voorbeeld van een neusloze en toch comfortabele
trede. Een
verdreven trap kan dus niet wegens te smalle treden aan de binnenzijde.
Waarschuwingstegels
Waarschuwingstegels zijn tactiele tegels waardoor personen met een visuele
beperking
verwittigd worden dat een trap eindigt of begint.
De overlopen van trappenhuis
De overlopen van een trappenhuis moeten voldoen aan de afmetingen van tussenbordes.
Daarnaast moeten er ook tussenbordes (rustpunt) voorzien worden halverwege
de trap die twee verdiepingen overbrugt.
7. Rolstoeltoegankelijk toilet
De provinciale stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid legt geen
publiek
toegankelijke toiletten op. Indien er publiek toegankelijke toiletten aanwezig
zijn dan
vraagt de verordening dat deze toiletten minstens één rolstoeltoegankelijk
toilet
bevatten.
8. Afwijken bij verbouwingen
De overheid die de vergunning verleent (hetzij schepencollege, de gewestelijke
stedenbouwkundige ambtenaar, hetzij de deputatie of de minister) kan afwijken
van de
verordening. Het is dan ook aan haar om te appreciëren of een afwijking
kan worden
toegestaan. De afwijking moet weloverwogen gebeuren. Vandaar de verplichting
dat de
overheid in haar beslissing omstandig moet motiveren waarom van de verordening
wordt
afgeweken.
Ook stelt de provincie de aanstiplijst toegankelijkheid digitaal beschikbaar (je kan de lijst hier invullen en opsturen naar de betreffende dienst (word)
Voor de recentste aanpassingen verwijzen we steeds naar de provincie-site: www.west-vlaanderen.be/ruimtelijkeordening